Skip to main content

Full text of "De Zaak Spijkers"

See other formats


ijLKluwer 



a Wolters Kluwer business 




Nummer 3. MAART 200! 








OP 




lOUil 



TIJDSCHRIFT VOOR BELEID 



O LI Tl E K 









gemeentelijke dienstverlening 



20626-3_OB 0308.indd C1 




19-02-2008 14:13:04 






De mens is een dolende ziel, voor eeuwig 
gevangen in de kringen van de hel, 
schreef de Franse romancier Albert 
Camus. Alles wat een mens tegenover zijn 
eigen vergeefsheid probeert te stellen, is 
hypocriet, zelfzuchtig en vergeefs. Zo som- 
ber hoeft u niet te zijn, vooral niet omdat 
we elke maand uw bestuurlijke rugzakje 
met wijsheid en goede raad vullen, zoals 
nu over het loket waar we met z'n allen 
straks terecht kunnen, eindelijk de hele 
overheid om de hoek, kunnen ze de rest 
afschaffen. Maar toch - daar steekt de 
somberte weer de kop op - ook al lijkt in 
deze zelfzuchtige tijd een agressieloket 
met vastgeschroefde tafels en stoelen 
voor de lastige en onhandelbare burger 
meer op z'n plaats, een loket van dienst- 
betoon, tolerantie en handhaving is toch 
te prefereren, in deze Openbaar bestuur, 
uw intellectuele loket. 

Hoofdredacteur 



Debutanten op het 

Binnenhof 19 

Drs. A.S. Bos & drs. C.J.M. Brand 
Koekoek op de barricaden 



Column 

Drs. M.PA. van Dam 
Beleidsonzin 



Ongewoon bestuur 

Drs. B.F. Steur 
De Kamper Steur 



26 



Zonder last of ruggespraak 30 

Drs. T. Noldus 

Een vleugje parfum 



35 



Het verbeteren van de gemeentelijke dienstverlening 

Drs. H. Duinkerken en drs. P.B.H. Janssen 

In 2015 willen gemeenten gezamenlijk als één loket voor de overheid 
fungeren. Het versterken van het loket van de eigen gemeente is de 
eerste fase van een operatie met veel hindernissen. 



Rechtsstaat zonder zelfkritisch en zelfreinigend vermogen 8 

S. van Oest 

Waar politieke, bestuurlijke en ambtelijke gezagsdragers hun bevoegd- 
heden misbruiken, wordt de rechtsstaat bedreigd. De zaak Spijkers. 



Gemeenteraadsleden en eigen belang 20 

Prof. dr.J.H.J. van den Heuvel, M. van Hugten, A. de Rooij en W. van Straaten 
In 2007 publiceerde de Rekenkamer Stadsdelen Amsterdam een onder- 
zoek naar mogelijke belangenverstrengeling van gemeenteraadsleden 
van de deelraad Zuidoost. Hoe zit dat bij de andere deelraden? 



Mogelijkheden beleidsdoorlichting beperkt benut 27 

Dr. P.K Pestman en drs. A. van Wijk 

Departementen hebben ruim eenjaar ervaring met het instrument 
beleidsdoorlichting. Wat is de kwaliteit van de uitgevoerde doorlich- 
tingen? 



De professie van de overheidsstrateeg 31 

Prof. dr. M.J.W. van Twist, drs. R. Peeters en drs. MA. van der Steen 
Strategievorming bij de overheid is een proces dat met spanningen is 
omgeven. Zij zijn niet weg te organiseren, maar juist een essentieel 
onderdeel van het werk van de overheidsstrateeg. 



Voorkeursbeleid: een Nederlands scenario 

Dr. F. de Zwart 

De Nederlandse overheid denkt zich aan de onbedoelde gevolgen van 
positieve discriminatie te kunnen onttrekken door een aantal 'waar- 
borgen' in te bouwen. Hoe pakt dat uit? 



Boeken 



36 



J L 



Openbaar bestuur interactief! Wilt u reageren, klik dan: ob@kluwer.nl. 



38 



Openbaar bestuur, Tijdschrift voor beleid, organisatie en politiek, Jaargang 18, Nummer 3, maart 2008. Verschijnt 11 maal per jaar. Hoofdredacteur 
Prof. dr. J.H.J. van den Heuvel Redactie Dr. PCastenmiller Eindredacteur R.H. Roeien Uitgever Marjolijn Voogel Redactiesecretaris Josien Beele Redac- 
tieadres Kluwer bv, t.a.v. J. Beele, Postbus 4, 2400 MA Alphen aan den Rijn, Telefoon (0172) 46 64 05, Fax (0172) 46 65 77, E-mail: jbeele@kluwer.nl. 
Richtlijnen voor auteurs kunnen worden opgevraagd bij de redactiesecretaris. Alle artikelen in dit tijdschrift zijn op persoonlijke titel geschreven Advertenties 
Jan-Willem Hulst, telefoon 0172-466 603, fax 0172-466 639, E-mail: advertenties-bb@kluwer.nl Abonnementen € 162- per jaar; studenten € 81,-. Telefoon 
(0570) 67 33 44, E-mail: info@kluwer.nl. Abonnementen kunnen schriftelijk tot uiterlijk 3 maanden voor het einde van de abonnementsperiode worden opge- 
zegd. Bij niet-tijdig opzeggen wordt het abonnement automatisch met een jaar verlengd. Kluwer BV legt de gegevens van abonnees vast voor de uitvoering 
van de (abonnements-) overeenkomst. De gegevens kunnen door Kluwer, of zorgvuldig geselecteerde derden, worden gebruikt om u te informeren over rele- 
vante producten en diensten. Indien u hier bezwaar tegen heeft, kunt u contact met ons opnemen. Op al onze aanbiedingen en overeenkomsten zijn van toe- 
passing de Algemene Voorwaarden van Kluwer B.V., gedeponeerd ter griffie van de Rechtbank te Amsterdam op 6 januari 2003 onder depotnummer 3/2003. 
Een exemplaar van deze voorwaarden zal op eerste verzoek gratis worden toegezonden. 
Basisvormgeving (M/V) ontwerp, www.mv-ontwerp.nl Opmaak VerheulCommunicatie.com Alphen aan den Rijn. 



ISSN 0925-7322 



20626-3_OB 0308.indd B1 



19-02-2008 14:1 3 :C 



Rechtsstaat zonder zelfkritisch en 
zelfreinigend vermogen 

Wetenschappers, advocaten en leden van de Hoge Raad waarschuwden onlangs tegen uitholling van de 
rechtsstaat, onder meer wegens de antiterrorismewetgeving. 2 Waar politieke, bestuurlijke en ambtelijke 
gezagsdragers hun bevoegdheden misbruiken, wordt de rechtsstaat op een andere manier bedreigd. Dat is 
het geval in de zaak Spijkers. Hij weigerde een immorele opdracht uit te voeren en hij ondervond daarvan 
sindsdien gevolgen. 



De kafkaëske lotgevallen van Spijkers zijn ver- 
bonden met ongelukken met AP-23 landmij- 
nen op 18 juli 1983 en 14 september 1984. Bij het 
eerste ongeval kwamen zeven dienstplichtige mili- 
tairen om het leven en raakten negen zwaar ge- 
wond doordat in een leslokaal van Defensie een 
mijn ontplofte. Het tweede ongeval vond plaats bij 
een proefneming met de AP-23 landmijn. Daarbij 
werd Ovaa, een burger in dienst bij Defensie, ge- 
dood. 

Dat Defensie die opdracht aan Spijkers gaf, 
is door Defensie ontkend en bevestigd 



Spijkers, bedrijfsmaatschappelijk werker bij Defen- 
sie, kreeg op de dag van het ongeval in 1984 een 
dienstopdracht om weduwe Ovaa-Van den Broek 
te bezoeken en te vertellen dat Ovaa door eigen 
onvoorzichtigheid was omgekomen, terwijl de toe- 
dracht van het ongeval nog niet was onderzocht. 
Dat Defensie die opdracht aan Spijkers gaf, is door 



[1] Sokje van Oest is de nom de plume voor de auteurs van dit artikel, studenten die in het kader 
van het vak Beroepsethiek aan de faculteit der Rechtsgeleerdheid van de Universiteit van Amster- 
dam met dr. mr. J. van der Vliet de zaak Spijkers onderzochten: Martijn Anneveld, Bo Bouw, Stepha- 
nie Brown, Ernst Dijxhoorn, Debbie van Hulsen, Robert Koning, Kim Koops, Annebel van Meegen, 
Melike Sagdinc, Lyn Tjon Soei Len en Olivier Woerde. Sokje is een referentie in bescheidenheid aan 
Socrates en Van Oest verwijst naar een historisch slachtoffer van maatschappelijk en juridisch 
onrecht. 

[2] G.J.M. Corstens, Dijkdoorbraken in de strafrechtspleging, NJB 2005, p. 289. Interview met mr. I. 
Weski, Intermediair, 14 december 2006. Rede van senator dr. B. Böhler tijdens de behandeling van 
het wetsvoorstel Wet politiegegevens door de Eerste Kamer, Handelingen I 2006/2007, 35, p. 
1063-1065. 

[3] Nationale ombudsman, rapport 1999/175, p. 224. 
[4] Op. cit.,p. 287. 
[5] Op. cit.,p. 257. 
[6] Op. cit., p. 260. 
[7] <http://www.ombudsman.nl/pdf/Behoorlijkheidswijzer.pdf>. 



Defensie ontkend en bevestigd; ontkenning en be- 
vestiging komen later in dit artikel aan de orde. 

Formeel beschouwd voerde Spijkers de opdracht 
uit, maar hij maakte Ovaa-Van den Broek duidelijk 
dat hij het met dat standpunt niet eens was: een 
gewetensvolle weigering van een opdracht wegens 
het onrecht dat zij impliceert. 3 Door Spijkers' inzet 
nadien verhinderde hij dat de zaak in de doofpot 
ging. Hij dwong de minister van Defensie uiteinde- 
lijk in 1997 tot erkenning van aansprakelijkheid 
van Defensie voor de dood van Ovaa. 4 De Nationale 
ombudsman toonde in 1999 inderdaad aan dat het 
ministerie van Defensie al in 1970 wist dat het ont- 
stekingsmechanisme van de AP-23 landmijn een le- 
vensgevaarlijke ontwerpfout bevatte. 5 Waren in 
1970 adequate maatregelen getroffen, dan waren 
de ongevallen in 1983 en 1984 niet gebeurd, aldus 
de Ombudsman. 6 

Spijkers' leven werd verwoest door toedoen van po- 
litieke, bestuurlijke, rechterlijke en ambtelijke ge- 
zagsdragers namens de Nederlandse staat. We re- 
construeren het optreden van sommige van die 
gezagsdragers op grond van documenten en toet- 
sen het aan rechtsstatelijke eisen waaraan zij zijn 
gebonden, zoals verwoord in de Behoorlijkheidwij- 
zer 7 van de ombudsman. Het werkelijke aantal ge- 
zagsdragers dat bij de zaak was betrokken en het 
aantal relevante beslissingen en handelingen was 
een veelvoud. De auteurs hebben overwogen 
slechts rollen te noemen en geen namen van dege- 
nen die ze vervulden. Wegens de reeds verschenen 
publicaties over de zaak zou anonimisering beteke- 
nisloos zijn. Dat neemt niet weg dat jegens de be- 
trokkenen de grootst mogelijke zorgvuldigheid 
past. Daarom zijn de normen, gesteld in de juris- 
prudentie van HR en EHRM, strikt in acht geno- 
men. Daarbij is van belang dat het publieke rollen 



OPENBAAR BESTUUR MAART 2008 



20626-3_OB 0308.indd B8 



19-02-2008 14:13:11 



betreft en dat het algemeen belang van rechtvaar- 
digheid en rechtsstaat in het geding is. De vaststel- 
ling en de interpretatie van feiten en de evaluatie 
zijn vanzelfsprekend voor discussie vatbaar. In ge- 
val van gerede twijfel bleven beslissingen en gedra- 
gingen onbesproken. Voor het overige moet het ar- 
tikel worden gelezen onder het voorteken van de 
clausule "Indien ... het geval is, dan ... ", omdat vol- 
strekte zekerheid niet is te verkrijgen. 

Proces-verbaal P4/85 

Het ongeval waarbij Ovaa omkwam, deed zich tij- 
dens een proefneming met een AP-23 landmijn 
voor. De mijn die Ovaa fataal zou worden, ging in 
eerste instantie niet af. 8 Conform het geldende al- 
gemene veiligheidsvoorschrift wachtte Ovaa vijf 
minuten - de zogeheten vertragingstijd - en na- 
derde de mijn omzichtig om die op veilig te zet- 
ten. 9 Toen Ovaa bij de mijn hurkte, ontplofte deze. 
Blijkens het rapport van de ombudsman uit 1999 
had Defensie belang bij het afwijzen van aanspra- 
kelijkheid voor het ongeval. Daarom was voor De- 
fensie de belangrijkste conclusie uit het Mare- 
chausseeonderzoek door luitenant-kolonel Fabius 
en opperwachtmeester Martens in proces-verbaal 
P4/85, dat Ovaa onvoorzichtig had gehandeld. 
Ovaa handelde 'naar eigen goeddunken', volgde 
'op onverklaarbare wijze zijn eigen veiligheidspro- 
cedure' en 'conformeerde [zich niet] aan het ge- 
bruikelijke veiligheidsgedrag'. 10 Deze passages uit 
het proces-verbaal boden steun aan het standpunt 
van het ministerie: Ovaa had zijn dood aan zich- 
zelf te wijten. 11 De Nationale ombudsman maakte 
in zijn rapport melding van een informele, afwij- 
kende procedure doch onderzocht die niet, omdat 
hij het onjuist achtte dat die niet was vastgelegd 
in de interne order Munitieveiligheid van de Com- 
missie van Proefnemingen van MBA-1. Daarom had 
het meer voor de hand gelegen het gedrag van 
Ovaa te beoordelen aan de hand van de veiligheids- 
procedure die wel schriftelijk was vastgelegd. 
Dat in het ontstekingsmechanisme van de mijn 
een levensgevaarlijke ontwerpfout school, was 
slechts indirect uit het proces-verbaal af te lei- 
den. 12 De geschiedenis van de mijn kwam wel op 
verschillende plaatsen aan de orde, maar de duide- 
lijkste verwoording van de ontwerpfout in de eind- 
conclusie luidde: 'De ontsteker van de mijn mor- 
tier AP-23 LOT AI 68-2 wordt niet gemodificeerd 
en is in zijn oude vorm thans nog in de bewape- 
ning.' 13 Opmerkelijk is dat Defensie een kopie van 
het proces-verbaal naar het ABP stuurde, maar 
daaruit wegliet de passage waaruit de ontwerpfout 
is af te leiden. In de kopie staat dus slechts de door 
de Marechaussee gereconstrueerde voorstelling 



van het handelen van Ovaa. Het ABP stuurde deze 
kopie naar het ministerie van Financiën; op grond 
daarvan stelde dit ministerie - niet verwonderlijk 
- dat het ABP geen regresvordering had voor het 
nabestaandenpensioen van Ovaa-Van den Broek. 
Defensie was immers volgens deze bloemlezing uit 
het proces-verbaal niet voor de dood van Ovaa aan- 
sprakelijk. 



Wegens de reeds verschenen 
publicaties over de zaak zou anonimisering 

betekenisloos zijn 



P4/85 legde een zekere nadruk op verwijten aan 
Ovaa, gebaseerd op verklaringen over 'ongeschre- 
ven veiligheidsprocedures'. Waarschuwingen over 
hoe te handelen in geval van een 'weigeraar' wer- 
den volgens het proces-verbaal en volgens hun ver- 
klaring aan Ovaa gegeven door Andriessen, Trauer- 
bach en Schelling. Juister was geweest het gedrag 
van Ovaa aan de destijds geldende schriftelijke vei- 
ligheidsinstructie te toetsen. Die toets wees niet 
uit dat Ovaa 'naar eigen goeddunken' handelde, 
doch dat Ovaa precies handelde volgens de gelden- 



Juister was geweest het gedrag van 

Ovaa aan de destijds geldende schriftelijke 

veiligheidsinstructie te toetsen 



de veiligheidsprocedure. 14 Munitie-expert kolonel 
Margherita concludeerde (naar verluidt op basis 
van bestudering van video-opnamen van het onge- 
val) dat Ovaa de veiligheidsprocedure secuur had 
gevolgd en 'zo voortreffelijk en bedachtzaam [had] 
gewerkt als maar (...) mogelijk [was]'. 15 Hij merkte 
weliswaar ook op dat men Ovaa een ander vaktech- 
nisch oordeel had gegund, maar die formulering 
verwijst naar de tragische afloop van de proefne- 
ming en niet naar verkeerd optreden van Ovaa. 
Margherita noemde nadien het proces-verbaal sug- 
gestief en in sommige opzichten tendentieus. 15 De 
verwijten aan Ovaa in het proces-verbaal waren, zo 
beschouwd onjuist, werden niet gedragen door het 
onderzoek en gaven steun aan het standpunt van 
Defensie dat Ovaa door eigen onvoorzichtigheid 
was gestorven. Fabius en Martens hebben daardoor 
beginselen van formele behoorlijkheid geschon- 
den en hun plicht tot onpartijdige waarheidsvin- 
ding verzaakt (art. 6 Politiewet). Indien zij opzette- 
lijk handelden, schonden zij tevens beginselen van 



[8] Op. cit., p. 61. 

[9] Op. cit., p. 273. 

[10] Proces-verbaal P4/85, 

p. 16. 

[11] Nationale ombudsman, 

rapport 1999/175, p. 275. 

[12] Op. cit. p. 171. 

[13] Proces-verbaal P4/85, 

p. 15. 

[14] Aldus ook de Nationale 

Ombudsman, rapport 

1999/175, p. 273. 

[15] Nationale ombudsman, 

rapport 1999/175, p. 

64-65. 

[16] Op. cit. p. 102. 



OPENBAAR BESTUUR MAART 2008 



20626-3_OB 0308.indd B9 



19-02-2008 14:13:11 



materiële behoorlijkheid en pleegden zij boven- 
dien een ambts mis draging en misschien zelfs vals- 
heid in geschrifte. Dergelijk opzet is echter niet 
aantoonbaar. 



Bunnik schond criteria van behoorlijkheid 
door voorbarig en herhaaldelijk te beweren 
dat Defensie niet aansprakelijk was 



Ovaa-Van den Broek kreeg ten lange leste in 1989 
inzage in een gedeelte van P4/85, al moest zij die 
inzage via een WOB-verzoek afdwingen. 17 In de 
woorden van de ombudsman: '[Het trekt] de aan- 
dacht dat het Ministerie de weduwe zeer langdurig 
heeft gedwarsboomd in haar pogingen om kennis 
te nemen van alle stukken die op het ongeval be- 
trekking hebben.' Fabius gaf toelichting, omdat de 
commandant van de Marechaussee in een notitie 
had geadviseerd door de verbalisanten uitleg te la- 
ten geven, onder meer omdat anders uit 'P4/85 
mogelijk de indruk zou kunnen gaan ontstaan dat 
Ovaa onverstandig zou hebben gehandeld].]' 18 De 
passage impliceert dat die indruk volgens de com- 



Een oorspronkelijk niet-medisch 
probleem (te weten een verstoorde 
arbeidsverhouding) werd door RBB en 
Defensie gemedicaliseerd 



mandant onjuist zou zijn. Volgens het rapport van 
de Ombudsman is aannemelijk dat Fabius precies 
die indruk bij Ovaa-Van den Broek heeft gewekt 
door te zeggen dat haar man (mede) door eigen 
onvoorzichtigheid om het leven was gekomen. 19 

Bunnik 

Proces-verbaal P4/85 was de inleiding tot de weder- 
waardigheden tussen Ovaa-Van den Broek en Spij- 



[17] Op. cit. p. 286. 

[18] Op. cit. p. 174. De commandant overwoog tevens dat uitleg was vereist wegens de complexi- 
teit van de materie en omdat de indruk zou kunnen ontstaan dat Defensie gegevens over het optre- 
den van Ovaa achterhield. 
[19] Op. cit. p. 224, p. 277. 
[20] Op. cit. p. 274-275. 

[21] Brief minister dr. ir. J.J.C. Voorhoeve, 15 november 1996 aan Ovaa-Van den Broek. 
[22] Ministerie reageert verkrampt op dossier Spijkers, NRC Handelsblad, 12 juli 1997. De ombuds- 
man kwam tot de conclusie dat hij niet kon vaststellen dat de opdracht was gegeven, schriftelijk 
bewijs ontbreekt. Nationale ombudsman, rapport 1999/175, p. 275-276. 
[23] Art. 225 en 365 Sr. 



kers enerzijds en Defensie anderzijds. Gezagsdra- 
gers hebben namens Defensie ruim twaalf jaar van 
het proces-verbaal gebruik gemaakt, dat stelde dat 
Ovaa zijn dood (mede) aan zichzelf te wijten had, 
om politieke, civielrechtelijke en strafrechtelijke 
aansprakelijkheid voor de dood van Ovaa te ontwij- 
ken, een standpunt dat zij volgens de ombudsman 
in redelijkheid niet konden innemen. 20 
Defensie wees bij herhaling en expliciet alle aan- 
sprakelijkheid af, onder anderen bij monde van 
plaatsvervangend directeur burgerpersoneel Bun- 
nik en van minister Voorhoeve. 21 Bunnik was een 
van de hoogste superieuren van zowel Ovaa als 
Spijkers. In die lijn paste de dienstopdracht (onder 
verantwoordelijkheid) van Bunnik aan Spijkers om 
mevrouw Ovaa-Van den Broek onwaarheid te ver- 
tellen. Een woordvoerder van Defensie bevestigde 
in 1997 tegenover NRC Handelsblad dat die opdracht 
aan Spijkers was gegeven. 22 De aangevoerde reden 
is, zoals NRC Handelsblad concludeert, zacht gezegd 
niet aannemelijk: de woordvoerder deelde mee dat 
Spijkers de opdracht (op 14 september 1984) kreeg 
naar aanleidingvan proces-verbaal P4/85, geda- 
teerd 12 april 1985. 

Bunnik schond criteria van behoorlijkheid (wel- 
licht via de opdracht aan Spijkers, maar in elk ge- 
val) door voorbarig en herhaaldelijk te beweren 
dat Defensie niet aansprakelijk was. Hij heeft al 
dan niet opzettelijk de feiten tegenover de nabe- 
staanden van Ovaa verdraaid, valse verklaringen 
afgelegd en, indien hij dit opzettelijk deed, heeft 
hij zich schuldig gemaakt aan valsheid in geschrif- 
te en aan misbruik van bevoegdheden door Ovaa- 
Van den Broek op het verkeerde been te zetten. 23 
Bovendien schond hij het criterium van redelijk- 
heid. Hij moest alle relevante feiten en omstandig- 
heden vergaren, de betrokken belangen wegen en 
tot een redelijke uitkomst komen. Volgens het be- 
ginsel van evenredigheid moest hij daarbij reke- 
ning houden met mogelijke gevolgen voor betrok- 
kenen. Volgens het beginsel van rechtszekerheid 
mocht hij gerechtvaardigde verwachtingen niet 
beschamen. De uitkomst van zijn weging voor en 
na het verschijnen van het proces-verbaal was ech- 
ter onredelijk. Voordien, omdat het ontbrak aan 
een feitelijke grondslag voor de ontkenning van 
aansprakelijkheid. Nadien, omdat zorgvuldige le- 
zing van het proces-verbaal en bijlagen, gepaard 
met de kennis die Bunnik had of behoorde te heb- 
ben, niet tot de ontkenning van aansprakelijkheid 
kon leiden. Bunnik heeft daarom verzuimd gelijke 
zorg en respect te betrachten en de rechten van de 
nabestaanden van Ovaa en van Spijkers geschaad 
door ongefundeerde beweringen en onwaarheden 



10 



OPENBAAR BESTUUR MAART 2008 



20626-3_OB 0308Jndd B10 



19-02-2008 14:13:11 



te verkondigen. Zodoende heeft hij ook de beginse- 
len van formele behoorlijkheid geschonden. Al 
met al schond Bunnik ook het beginsel van profes- 
sionaliteit volgens de standaard van zijn beroeps- 
groep. 

RBB-artsen 

Spijkers weigerde genoemde dienstopdracht en 
stond de nabestaanden van Ovaa bij. Defensie be- 
sloot (daarom) in 1987 Spijkers uit zijn functie te 
ontheffen. Dit besluit werd echter in 1991 door de 
Centrale Raad van Beroep vernietigd. 24 
In die periode werd Spijkers door bedrijfsartsen 
van de Rijks Bedrijfsgezondheids- en Bedrijfsveilig- 
heidsdienst (RBB) begeleid. Zij deden echter meer 
dan louter begeleiden, zij achtten Spijkers onge- 
schikt om zijn werk te hervatten en kwamen tot 
een oordeel over de psychische gesteldheid van 
Spijkers zonder hem te hebben gesproken. Zij oor- 
deelden zodoende buiten hun competentie. 25 Gere- 
nommeerde psychiaters verklaarden dat Spijkers 
in psychische zin niets mankeerde en dat hij dus 
niet arbeidsongeschikt was. 25 De RBB-artsen ver- 
draaiden die verklaringen. 

Deze verdraaiingen werden aan een onderzoeks- 
commissie voorgelegd. Spijkers werd naar die com- 
missie verwezen na vernietiging van het besluit 
tot ontheffing door de Centrale Raad van beroep 
in 1991. Deze commissie, samengesteld uit RBB-art- 
sen, stelde dat Spijkers zich nog eens aan een psy- 
chiatrisch onderzoek moest onderwerpen. Psychia- 
ter Keilson onderzocht Spijkers en concludeerde 
dat hij niet leed aan enig psychiatrisch gebrek en 
niet arbeidsongeschikt was. 27 Hij oordeelde dat 
een oorspronkelijk niet-medisch probleem (te we- 
ten een verstoorde arbeidsverhouding) door RBB 
en Defensie werd gemedicaliseerd. 
De uitkomst van dit psychiatrisch onderzoek werd 
eveneens verdraaid, nu door de onderzoekscom- 
missie. Zij beweerde dat Keilson had vastgesteld 
dat Spijkers leed aan ziekte of gebrek en daarom 
arbeidsongeschikt was. 28 

Crombag schreef over het optreden van de RBB: 'Er 
is geen twijfel over mogelijk dat het ministerie van 
Defensie probeert om aan een arbeidsconflict met 
u [Spijkers] een einde te maken door u psychia- 
trisch ziek te doen verklaren. De met dat doel ge- 
raadpleegde externe psychiatrische deskundigen 
[die de genoemde second opinions opstelden] hebben 
- en dat strekt hen tot eer - aan deze ontoelaatba- 
re manoeuvre geen medewerking gegeven. Anders 
lag dat voor [de RBB-artsen], die er blijkbaar geen 
been in zagen om met hun medische verantwoor- 
delijkheid de hand te lichten. De verdraaiing van 



in de psychiatrische rapportages vermelde conclu- 
sies is zo flagrant, dat goede trouw uitgesloten 
kan worden. Als er iemand of iets ziek is, dan is 
het de organisatie die zulk een gang van zaken 
duldt of zelfs instigeert.' 29 Bovens verklaarde: 'De- 
fensie heeft u bewust willen marginaliseren door 
u als "psychiatrisch geval" af te schilderen.' 



Spijkers' gerechtvaardigde 

verwachtingen werden beschaamd; de 

commissie schond daarom ook het 

beginsel van rechtszekerheid 



De RBB-artsen en de onderzoekscommissie mis- 
bruikten hun bevoegdheden en schonden begin- 
selen van materiële behoorlijkheid door second 
opinions te verdraaien. Zij pleegden valsheid in 
geschrifte, indien zij dat opzettelijk deden. Ook de 
onderzoekscommissie misbruikte haar bevoegdhe- 
den. Zij velde immers een zelfstandig oordeel over 
de arbeidsgeschiktheid van Spijkers zonder hem te 
hebben onderzocht. Bovendien schond zij het 
beginsel van redelijkheid, want zij vergaarde niet 
alle relevante feiten en omstandigheden ter we- 
ging, in aanmerking genomen de belangen die in 
het geding waren. De RBB-artsen en de onder- 
zoekscommissie hebben de schijn van partijdig- 
heid gewekt en dus het beginsel van onpartijdig- 
heid geschonden. 

De RBB-artsen schonden het beginsel van professi- 
onaliteit door zonder medische grond en buiten 
hun competentie in dossiers aan te tekenen dat 
Spijkers in psychiatrische zin ziek was en schon- 
den a fortiori hun beroepseed. 30 Als 'ambtenaren 
met een bijzondere training of opleiding' dienen 
zij uit hoofde van de Behoorlijkheidswijzer im- 
mers te handelen volgens de standaard van hun 
beroepsgroep. 

De beslissing van de onderzoekcommissie was 
slecht gemotiveerd, want gebaseerd op de verdraai- 
ing van de second opinions en op het ongefundeerde 
eigen oordeel van de commissie dat Spijkers aan 
ziekte of gebrek leed. De beslissing werd dus niet 
feitelijk en logisch door een kenbare motivering 
gedragen, die een deugdelijke redenering behelst 
op grond van feiten en van weging van belangen. 
Spijkers' gerechtvaardigde verwachtingen werden 
beschaamd; de commissie schond daarom ook het 
beginsel van rechtszekerheid. Tevens schond zij 
het beginsel van fair play waar zij Spijkers de kans 
ontnam zijn standpunt over de verdraaiing van de 
second opinions te verdedigen. 



[24] CRvB 31 januari 1991, 
rolnr. AW1988/653. 
[25] Rapport De zaak Fred 
Spijkers, Geneva Initiative on 
Psychiatry, p. 7-8. 
[26] Rapport De zaak Fred 
Spijkers, Geneva Initiative on 
Psychiatry, p. 14. Brief prof. 
dr. F.H.L. Beyaert aan Gene- 
va Initiative on Psychiatry, 
24 oktober 1997. 
[27] Brief dr. H. Keilson aan 
de RBB, 24 oktober 1991. 
[28] Brief commissiesecre- 
taris Pvan den Heuvel aan 
het ministerie van Defensie, 
12 juni 1992. 
[29] Brief prof.dr. H.F.M. 
Crombag aan Spijkers, 21 
april 1993. Verklaring prof. 
dr. H.M. Dupuis in brief 1 
juni 1993, verklaring prof.dr. 
Van Wijmen in brief aan Spij- 
kers, 24 mei 1993, verkla- 
ring dr. J. Reinders in brief 
aan Spijkers, 10 mei 1993 
en verklaring dr.mr. M.A.P 
Bovens in brief aan Spijkers, 
2 maart 1994. 
[30] Behoorlijkheidwijzer 
<http://www.ombudsman . 
nl/pdf/Behoorlijkheidswijzer. 
pdf>, p. 6. 



OPENBAAR BESTUUR MAART 2008 



11 



20626-3_OB 0308.indd B11 



19-02-2008 14:13:11 



Landsadvocaat bij Medisch Tuchtcollege 

Het Medisch Tuchtcollege gaf de RB B-artsen in 
1992 een officiële waarschuwing wegens hun han- 
delen ten opzichte van Spijkers. De Landsadvocaat 
ging namens de artsen tegen die beslissing in be- 
roep. De waarschuwing werd teruggedraaid. 
De Landsadvocaat kende de merites van de zaak en 
van het optreden van zijn cliënten (de RBB-artsen), 
althans behoorde die te kennen. De Landsadvocaat 



De Landsadvocaat heeft het beginsel van 
redelijkheid geschonden door onzorgvuldige 
weging van belangen 



wist of kon weten van de valsheid in geschrifte, 
van het misbruik van bevoegdheden en van het 
overschrijden van hun competentie door de RBB- 
artsen en de commissie en behoorde daarnaar te 
handelen. Een advocaat moet immers nagaan of 
het standpunt dat hij verdedigt klopt, althans hij 
mag geen onwaarheden verkondigen en hij mag 
de rechten van derden niet schenden. Daar de 
Landsadvocaat de staat vertegenwoordigt, heeft hij 
een gekwalificeerde verantwoordelijkheid en moet 
hij de standpunten en belangen van zijn cliënten 
aan rechtsstatelijke maatstaven toetsen. Deson- 
danks verdedigde hij het handelen van de RBB- 

Overigens is de bewering van de landelijk 
officier dat Spijkers geen nadeel onder- 
vond, vanzelfsprekend feitelijk onjuist 



artsen in de beroepszaak en schetste hij nadien in 
hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep in 
de ontslagzaak namens Defensie een beeld van 
Spijkers als psychiatrisch patiënt. 31 



[31] Defensie weigert eer- 
herstel oud-werknemer, de 
Volkskrant, 5 september 
1997, p. 8. 

[32] Hof 's-Gravenhage, pro- 
ces-verbaal verhoor in raad- 
kamer, 20 oktober 1999. 
[33] G.J.M. Corstens, Het 
Nederlands strafprocesrecht, 
Deventer (1993) 1999, p. 
52. 

[34] Corstens 1999, p. 683. 
[35] Hof 's-Gravenhage, pro- 
ces-verbaal verhoor in raad- 
kamer, 20 oktober 1999. 



De Landsadvocaat heeft het beginsel van redelijk- 
heid geschonden door onzorgvuldige weging van 
belangen. Hij heeft niet alle relevante feiten en 
omstandigheden vergaard, de rechten en belangen 
van Spijkers niet evenredig gewogen en hij kwam 
niet tot een redelijke uitkomst. Hij schond het 
rechtszekerheidsbeginsel, omdat Spijkers mocht 
verwachten dat de Landsadvocaat geen onwaarhe- 
den zou verkondigen. Hij heeft het gelijkheidsbe- 
ginsel geschonden door niet gelijke zorg en res- 
pect voor de rechten en de belangen van Spijkers 
te hebben. 



Officier van justitie 

Mensenrechtenorganisatie Geneva Initiative on 
Psychiatry (GIP) onderzocht het optreden van de 
RBB en op haar advies werd in 1996 bij de landelij- 
ke officier van justitie in Den Haag aangifte ge- 
daan van valsheid in geschrifte en systematische 
geestelijke mishandeling van Spijkers door Defen- 
sie en door RBB-artsen. De Rijksrecherche onder- 
zocht de zaak. De officier van justitie ging echter 
niet tot vervolging over, omdat Spijkers 'geen na- 
deel heeft ondervonden [van een] uitermate kwa- 
lijk feit [...] waarvoor vervolging zeker tot de moge- 
lijkheden behoort'. 32 

De landelijk officier mocht echter slechts afzien 
van vervolging op grond van het algemene belang, 
indien de vervolging geen prioriteit had (wegens 
schaarste van middelen) en, indien een veroorde- 
ling niet haalbaar was. 33 Of Spijkers nadeel heeft 
ondervonden, doet niet ter zake voor de vervol- 
gingsbeslissing; dat is slechts voor de straftoeme- 
ting van belang. 34 Overigens is de bewering van de 
landelijk officier dat Spijkers geen nadeel onder- 
vond, vanzelfsprekend feitelijk onjuist. 

Een officier moet staan voor de rechtsstaat. De lan- 
delijke officier deed dat niet en schond zodoende 
het beginsel van materiële behoorlijkheid. Hij ge- 
bruikte zijn bevoegdheden tot een ander doel dan 
waartoe die zijn gegeven door op oneigenlijke 
gronden en in strijd met de eisen van de rechts- 
staat tot niet-vervolging te beslissen. Dat weegt des 
te zwaarder, omdat hier volgens het oordeel van 
de officier sprake was van strafbare gedragingen 
door overheidsdienaren. 

De beslissing tot niet-vervolging streed, op dezelf- 
de gronden, met het beginsel van redelijkheid. Ge- 
zien de in het geding zijnde (rechtsstatelijke) be- 
langen kon een weging niet in redelijkheid leiden 
tot de beslissing niet te vervolgen. Hij schond zo- 
doende ook het rechtszekerheidsbeginsel: burgers 
mogen verwachten dat een officier een dergelijke 
zaak juist wel vervolgt. De officier heeft daarom 
ook het beginsel van professionaliteit geschonden. 

Het Hof 

Spijkers vorderde in 1999 bij het Gerechtshof Den 
Haag dat de officier van justitie alsnog vervolging 
zou instellen. 35 Het Hof vond dat er zeker redenen 
waren om vervolging in te stellen en kwalificeerde 
het optreden van de artsen - verdedigd door de 
Landsadvocaat - als vatbaar voor strafrechtelijke 
vervolging. Het Hof schorste echter het strafrechte- 
lijk onderzoek, omdat Spijkers met Defensie in 
onderhandeling was. Het Hof liet dus de civiel- 
rechtelijke kwestie tussen klager (Spijkers) en De- 



12 



OPENBAAR BESTUUR MAART 2008 



20626-3_OB 0308.indd B12 



19-02-2008 14:13:12 



fensie in de beslissing over een opdracht tot vervol- 
ging meewegen. Die doet echter strafrechtelijk 
beschouwd niet ter zake. 

Het Hof schond met deze beslissing behoorlijk- 
heidmaatstaven die milder zijn dan de eisen aan 
de rechter: het schond het motiveringsbeginsel en 
het beginsel van onpartijdigheid. Het wekte ten- 
minste de schijn van partijdigheid door een ver- 
keerde motivering voor een verkeerde beslissing in 
het voordeel van overheidsdienaren die met vervol- 
ging werden bedreigd. Het Hof miskende het 
rechtsstatelijke belang van de zaak. 

Vermeulen 

Wegens een overweging ten overvloede in het ar- 
rest van de CRvB uit 1991 over de ontheffing uit 
zijn functie, diende Spijkers een herzieningsver- 
zoek in. De overweging ten overvloede was dat 
Spijkers door zijn optreden de vervulling van zijn 
functie ernstig had bemoeilijkt. De Centrale Raad 
van Beroep besliste in 1993 dat hij de overweging 
inderdaad ten onrechte (misleid door de RBB-art- 
sen) had opgenomen, maar wees het verzoek tot 
herziening af. 36 De uitspraak uit 1991 bleef in 
stand; het ontheffingsbesluit was vernietigd. 
Defensie ontsloeg Spijkers vervolgens per 1 okto- 
ber 1993. Spijkers ging in beroep en de ontslag- 
zaak eindigde in 1997 bij de Centrale Raad van Be- 
roep met een beslissing in het nadeel van Spijkers. 
Voorzitter van de meervoudige kamer in hoogste 
instantie was vice-president mr. Vermeulen. 37 Ver- 
meulen was eertijds ambtenaar bij het directoraat- 
generaal voor Overheidspersoneelsbeleid van het 
ministerie van Binnenlandse Zaken, dat het ont- 
slag van burgers in dienst van de rijksoverheid be- 
handelde. De RBB ressorteerde onder hem. 38 Zijn 
afdeling had bemoeienis met de zaak Spijkers. Een 
ondergeschikte van Vermeulen voerde gesprekken 
over de zaak met de advocaat van Spijkers. 39 Ver- 
meulen was dus als ambtenaar bij de zaak Spijkers 
betrokken geweest. 40 Journalisten kwamen dit feit 
op het spoor door wat zij noemden 'partijdig op- 
treden' van Vermeulen bij getuigenverhoren. 41 
Rechter Vermeulen had een verschoningsplicht. 
Hij diende zich actief af te vragen of een procespar- 
tij redelijke twijfel over zijn onpartijdigheid zou 
kunnen koesteren en zijn uitspraak in verband 
kon brengen met zijn ogenschijnlijke partijdig- 
heid, ongeacht de feitelijke gegrondheid van die 
twijfel, wegens het rechtsstatelijke belang van on- 
partijdige rechtspraak. Vermeulen schond zijn 
plicht tot verschoning en daarmee de eis van on- 
partijdigheid. Dat weegt des te zwaarder, omdat 
getuigen en toehoorders zijn optreden ter zitting 



grof en partijdig vonden, nog voor zij wisten dat 
hij eerder bij de zaak Spijkers in een andere func- 
tie was betrokken. Vermeulen wekte zodoende de 
indruk zijn functie als rechter te gebruiken om af- 



Het Hof schorste het strafrechtelijk 
onderzoek, omdat Spijkers met Defensie 

in onderhandeling was 



doening van de zaak Spijkers conform de wensen 
van Defensie te realiseren. Crombag schreef over 
'de onmiskenbare partijdigheid van het arrest'. 

Vermeulen schond zijn verschoningsplicht en de 
eis van onpartijdigheid door een zaak te behande- 
len waarbij hij via een vroegere werkkring was be- 
trokken, ongeacht zijn toenmalige functie en het 
tijdsverloop. Hetzelfde geldt voor zaken waarbij 
collegae waren betrokken 42 

Landsadvocaat 

De ontslagprocedure kwam in 1997 voor de CRvB. 
Daar kwam aan de orde dat Defensie aan Spijkers 
een schikkingsvoorstel had gedaan. Senator Glas- 
tra van Loon 43 en senator Vis 44 deden eerder een 
bemiddelingspoging tussen Defensie en Spijkers. 
In dat kader had staatssecretaris van Defensie 
Gmelich Meijling aan Glastra van Loon gezegd 
dat Spijkers recht op een schadevergoeding had en 
bedragen genoemd, zo getuigde Glastra van Loon 
voor de Raad. 

Landsadvocaat De Groot ontkende ter zitting dat 
de staatssecretaris zoiets had gezegd en dat er 
sprake was (geweest) van onderhandelingen met 
Spijkers. 45 Defensie sprak echter al in 1995 met 
Spijkers' advocaat over schadevergoeding en eer- 
herstel. 46 Eerder schreef staatssecretaris van Defen- 
sie Frinking aan Glastra van Loon en Vis dat Defen- 
sie spoedig met Spijkers zou spreken om een 
definitieve oplossing voor de kwestie te bereiken. 47 
Minister Voorhoeve schreef: 'De Landsadvocaat 
heeft opdracht gekregen namens Defensie de on- 
derhandelingen te voeren over de mogelijkheden 
om tot een minnelijke regeling met de heer Spij- 
kers te komen. Defensie heeft daartoe concrete 
voorstellen gedaan, die in eerste aanleg in aanwe- 
zigheid van de heer Spijkers zelf en de wederzijdse 
advocaten en vervolgens in het overleg tussen de 
wederzijdse advocaten zijn besproken.' Verder be- 
richtte hij dat een 'schikkingsvoorstel van Defensie 
[...] ook bekend [is] bij de Kamerleden Glastra van 
Loon en Hoekema'. Beiden hebben in de zaak geïn- 
tervenieerd, aldus de minister, en de onderhande- 



[36] Rechtbank Den Haag 4 
oktober 1993, rolnr. AW93/ 
839. 

[37] CRvB 16 oktober 1997, 
TAR 1997,231. 
[38] Aanhangsel Handelin- 
gen II 1998/99, nr. 1310. 
[39] Aanhangsel Handelin- 
gen II 1998/99, nr. 1310. 
[40] Brief van Crombag, 17 
juli 2007. 

[41] H. Rijkers in Katholiek 
Nieuwsblad, 24 oktober 
1997. 

[42] Leidraad onpartijdigheid 
rechterlijke macht, aanbeve- 
ling 7. 

[43] Prof.mr.dr. J.F. Glastra 
van Loon was lid van de Eer- 
ste Kamer van 1980 tot 
1999. 

[44] Mr.J.J. Vis was lid van 
de Eerste Kamer van 1980 
tot 1995 en lid van de Raad 
van State van 1995 tot 
2003. 

[45] Defensie weigert eer- 
herstel oud-werknemer, de 
Volkskrant, 5 september 
1997, p. 8. 

[46] Brief Bunnik aan mr. 
Boone (advocaat van Spij- 
kers), 8 maart 1995. Notitie 
Bunnik aan directeur juridi- 
sche zaken ministerie van 
Defensie, 23 april 1997. 
Brief van De Groot aan mr. 
Leijendekker (advocaat van 
Spijkers), 15 maart 1996. 
Antwoord ministervan 
Defensie Voorhoeve op 
Kamervragen waarin dit 
wordt bevestigd. Aanhangse- 
len // 1996/97, nr. 1778. 
[47] Brief staatssecretaris 
Defensie Frinking aan Glas- 
tra van Loon en Vis, 9 febru- 
ari 1994. 



OPENBAAR BESTUUR MAART 2008 



13 



20626-3_OB 0308.indd B13 



19-02-2008 14:13:12 



lingen werden inmiddels door de advocaten - de 
Landsadvocaat namens Defensie - gevoerd. Hij be- 
sloot met: 'Ik blijf van opvatting dat de pogingen 
spoedig tot een oplossing te komen moeten wor- 
den voortgezet.' 48 



Vermeulen schond zijn plicht tot 
verschoning en daarmee de eis van 
onpartijdigheid 



Landsadvocaat De Groot beweerde dat niet over 
schadevergoeding en eerherstel was of werd onder- 
handeld. Er was geen concreet voorstel. Naar aan- 
leiding van het optreden van Landsadvocaat De 
Groot schreef staatssecretaris Gmelich Meijling 
echter aan Glastra van Loon dat hij wel degelijk 
een 'niet krenterig voorstel tot schadevergoeding' 
had gedaan. 49 Ter zitting verklaarde de Landsadvo- 
caat echter dat Spijkers paranoïde was en fictie 
niet van werkelijkheid kon scheiden: Spijkers had 
mensen ernstig beschadigd en de zaak Ovaa louter 
voor eigen belang gebruikt. Defensie had Spijkers 



Ter zitting verklaarde de Landsadvocaat 
dat Spijkers paranoïde was en fictie niet 
van werkelijkheid kon scheiden 



niet krankzinnig verklaard - Spijkers was krank- 
zinnig, zo betoogde De Groot volgens de Volks- 
krant. 50 Hij bestreed bovendien de getuigenverkla- 
ring van Glastra van Loon, die hij typeerde als een 
verwarde, oude man. Toen Glastra van Loon De 
Groot wilde weerspreken, ontnam Vermeulen hem 
het woord. Glastra van Loon was één van de getui- 
gen die door Vermeulen grof werd bejegend. 51 
Landsadvocaat De Groot heeft Spijkers ernstig 
geschaad. Zijn betoog was onwaar en dat wist hij, 



[48] Brief minister Defensie Voorhoeve aan drs. R. van Voren, 15 augustus. 

[49] Brief staatssecretaris Gmelich Meijling aan Glastra van Loon, 25 september 1997. Glastra van 
Loon verweet Gmelich Meijling dan ook dat hij zich buiten de procedure had gehouden. 
[50] Defensie weigert eerherstel oud-werknemer, de Volkskrant, 5 september 1997, p. 8. 
[51] Dit alles volgens getuigen van de zitting. 

[52] Brief minister Defensie Voorhoeve, 15 augustus 1997 (P/9700391) aan drs. R. van Voren. 
Brief staatssecretaris Frinking aan Vis en Glastra van Loon, 9 februari 1994 en brief staatssecreta- 
ris Gmelich Meijling aan Glastra van Loon, 25 september 1997. 

[53] Opdrachtbevestiging KPMG aan staatssecretaris Defensie Van Hoof, 16 maart 2000. 
[54] Kamerstukken II, 26 200 X, nr. 36, p. 11. 
[55] Brief prof.dr. Crombag, 17 juli 2007. 



althans dat kon en behoorde hij te weten. Volgens 
schriftelijke verklaring van ten minste een mi- 
nister en een staatssecretaris werd wel degelijk 
over schadevergoeding en eerherstel voor Spijkers 
onderhandeld, al voor 1997. 52 Hij wist dat, omdat 
de Landsadvocaat zelf namens Defensie onder- 
handelde. 

Het optreden van de Landsadvocaat jegens Spijkers 
(en Glastra van Loon) was in strijd met de behoor- 
lijkheid. Zou de Landsadvocaat gerede twijfel aan 
de gesteldheid van Spijkers of aan de verklaring 
van Glastra van Loon hebben gehad, dan moest hij 
die wegens het belang van zijn cliënt vanzelfspre- 
kend verwoorden. De beoordeling van de geestes- 
gesteldheid van Spijkers was echter niet aan hem 
en aangezien hij zelf namens Defensie met de ad- 
vocaat van Spijkers onderhandelde, had de Lands- 
advocaat geen grond de verklaring van Glastra van 
Loon in twijfel te trekken. 

Een advocaat mag geen onwaarheden verkondigen 
en hij mag de rechten van derden niet schenden, 
de Landsadvocaat heeft een gekwalificeerde ver- 
antwoordelijkheid, omdat hij de Staat vertegen- 
woordigt. De Landsadvocaat heeft onwaarheid ge- 
sproken en dus het rechtszekerheidsbeginsel en 
het gelijkheidsbeginsel geschonden: Spijkers 
mocht verwachten dat de advocaat van de over- 
heid geen onwaarheden zou verkondigen en zorg 
en respect voor zijn persoon en rechten zou tonen. 
Hij heeft niet alle relevante feiten en omstandighe- 
den vergaard, althans de rechten en belangen van 
Spijkers niet evenredig gewogen en hij is zodoende 
niet tot een redelijke uitkomst gekomen. 

KPMG 

Media-aandacht voor de ontslagzaak tegen Spijkers 
bracht aan het licht dat het ontslag verband hield 
met de mijnongelukken uit 1983 en 1984 en hoe 
Spijkers door gezagsdragers was bejegend sinds 
1984. De Vaste Kamercommissie voor Defensie ver- 
zocht de ombudsman een onderzoek naar de onge- 
lukken uit 1983 en 1984 met de AP-23 landmijn in 
te stellen, niet naar de bejegening van Spijkers. 
Mevrouw Ovaa-Van den Broek verbond echter de 
afronding van haar geschil met Defensie aan de 
zaak Spijkers. 53 Staatssecretaris Van Hoof zegde 
daarop aan de Vaste Kamercommissie een onaf- 
hankelijk onderzoek toe. 54 

Volgens overeenkomst tussen Ovaa-Van den Broek, 
Spijkers en staatssecretaris Van Hoof werd een 
commissie onder voorzitterschap van prof. Rood 
ingesteld, die bindend advies zou uitbrengen. 55 
Deze poging strandde en vervolgens werd KPMG in 
2000 ingeschakeld om het onderzoek te doen. 
KPMG schreef aan de opdrachtgevers (Ovaa-Van 



14 



OPENBAAR BESTUUR MAART 2008 



20626-3_OB 0308.indd B14 



19-02-2008 14:13:12 



den Broek, Spijkers en Van Hoof) dat het noodzake- 
lijk was de gehele toedracht van het geschil te on- 
derzoeken en dus ook een oordeel te geven over de 
dienstopdracht aan Spijkers en de bejegening van 
Spijkers door het ministerie nadien. 56 In 2001 werd 
de opdracht op instigatie van KPMG echter veran- 
derd, men zou summier over het optreden van De- 
fensie rapporteren. 57 

Dat gebeurde in 2002. Van der Knaap was inmid- 
dels staatssecretaris van Defensie. Zijn voorganger 
Van Hoof verplichtte Defensie het rapport zonder 
meer als bindend te beschouwen. Van der Knaap 
weigerde echter het KPMG-advies te aanvaarden, 
omdat KPMG het handelen van Defensiemedewer- 
kers ten opzichte van Spijkers 'misleidend' noem- 
de en die kwalificatie volgens de Van der Knaap 
niet (voldoende) had onderbouwd. 58 
Dat KPMG summier rapporteerde, was conform de 
gewijzigde opdracht uit 2001. 59 Daarbij werd over- 
eengekomen dat KPMG op een hoog abstractieni- 
veau zou rapporteren en van detailonderzoek over 
de gehele periode zou afzien, er zou een 'totaaloor- 
deel' worden geformuleerd. De staatssecretaris 
kwam dus op oneigenlijke gronden tot buitenge- 
rechtelijke vernietiging van de clausule dat het 
KPMG-rapport voor Defensie bindend was. Na een 
motie van de Tweede Kamer accepteerde de staats- 
secretaris het advies van KPMG alsnog en onderte- 
kende hij een door KPMG opgestelde vaststellings- 
overeenkomst. 60 Deze overeenkomst is ruim vijf 
jaar later nog niet volledig uitgevoerd. 

De advocaten 

Op grond van de vaststellingsovereenkomst is de 
Staat verplicht de vorderingen van sommige der- 
den - ook van Spijkers' advocaten - te voldoen. 61 
Daardoor kwam de onafhankelijkheid van de be- 
trokken advocaten in het geding. De Staat kreeg 
immers (financiële) greep op de juridische bijstand 
aan Spijkers en het belang van de advocaten (beta- 
ling) werd in de zaak betrokken. Defensie heeft in- 
derdaad tot op heden geweigerd de advocaten te 
betalen en dat was (mede) oorzaak dat Spijkers bij 
verschillende gelegenheden van rechtsbijstand ver- 
stoken bleef. De reden is dat de declaraties volgens 
Defensie (volgens de Landsadvocaat) onvoldoende 
zijn gespecificeerd. Kennelijk is de hoogte van de 
declaratie niet het probleem. De vraag is of Defen- 
sie hier misbruik maakt van de situatie, door de 
advocaten niet conform de vaststellingsovereen- 
komst te betalen. Dat zou immers een schending 
opleveren van de plicht van de overheid om funda- 
mentele rechten van burgers niet te schaden, doch 
juist te waarborgen. 



Administratieve rectificatie 

De Staat was krachtens de vaststellingsovereen- 
komst verplicht zorg te dragen voor administratie- 
ve rectificatie van de dossiers over Spijkers. Die 
moesten van negatieve kwalificaties waardoor Spij- 
kers kon worden geschaad, worden geschoond. De- 
fensie vroeg Deloitte in 2003 te onderzoeken hoe 



De vraag is of Defensie hier misbruik 
maakt van de situatie, door de 
advocaten niet conform de vaststellings- 
overeenkomst te betalen 



de rectificatie moest plaatsvinden. 62 Deloitte advi- 
seerde eind 2004 de 'collectie Spijkers' uit alle ar- 
chieven van overheidsinstanties te halen en naar 
een gesloten deel van het Nationaal Archief te ver- 
plaatsen. Deloitte heeft dat advies uitgevoerd. 63 De 
dossiers van Spijkers zijn bij ministeries, maar ook 
bij het ABP en het UWV weggehaald (zelfs de CRvB 
werd gevraagd de dossiers over Spijkers over te dra- 
gen). 54 

De verwijdering van zijn dossiers bij het UWV en 
het ABP vergrootte de problemen die Spijkers had. 
Spijkers heeft recht op wachtgeld, tenminste voor 
de periode van 1 oktober 1993 tot 1 juli 2011. Hij 
kreeg tot op heden niet uitbetaald door toedoen 
van de RBB-artsen namens Defensie. 65 Zij achtten 
Spijkers immers arbeidsongeschikt, contrair aan 
een reeks adviezen van deskundigen. Defensie ont- 
sloeg hem, doch meldde hem aan als arbeidsonge- 
schikt. 66 Als gevolg daarvan weigerde het Arbeids- 
bureau hem in te schrijven en kreeg hij niet de 
uitkering waar hij recht op had. 67 Wegens het ont- 
slag werd Spijkers wel uitgeschreven bij het ABP, 
doch niet weer ingeschreven, omdat hij zich niet bij 
het Arbeidsbureau kon inschrijven en niet de uitke- 
ring kreeg waar hij recht op had. Dat veroorzaakte 
ook problemen over zijn pensioenrechten. 
De Staat (Defensie) heeft niet aan zijn verplichting 
voldaan: er was geen rectificatie, de administraties 
werden 'geleegd'. De Staat veroorzaakte zodoende 
problemen met de uitkering en de pensioenrechten 
van Spijkers, maar staatssecretaris van Defensie Van 
der Knaap beweerde in het kader van het onderzoek 
van de Ombudsman dat Spijkers de problemen met 
zijn wachtgeld aan zichzelf te wijten had. 68 

Ombudsman 

Ombudsman Brenninkmeijer begon in 2005 uit ei- 
gen beweging een bemiddelingspoging, omdat hij 



[56] Opdrachtbevestiging 
KPMG aan staatssecretaris 
Defensie Van Hoof, 16 
maart 2000. 

[57] Brief KPMG aan Ovaa- 
Van den Broek, Spijkers en 
Defensie, 10 juli 2002. 
58] Brief staatssecretaris 
Defensie Van der Knaap aan 
Tweede Kamer, 8 november 
2002. 

[59] Brief KPMG aan Ovaa- 
Van den Broek, Spijkers en 
Defensie, 10 juli 2002. 
[60] Kamerstukken II 
2002/03, 28 686, nr. 2. 
[61] Vaststellingsovereen- 
komst, art. 4 en 8. 
[62] Brief Deloitte aan 
Wagenaar (advocaat Spij- 
kers), 22 december 2004. 
[63] Nationale ombudsman, 
rapport 2006/390, p. 
49-51. 

[64] Brief UWV aan Spijkers, 
7 november 2005. 
[65] Brief ABP aan Spijkers, 
7 juni 1994. Brief UWV aan 
Spijkers, 8 juni 2004. Natio- 
nale ombudsman, rapport 
2006/390, p. 60-61. 
[66] RB Den Haag 4 oktober 
1993, rolnr. AW93/839. 
[67] Brief USZ0 aan Spij- 
kers, 30 augustus 1996. 
[68] Nationale ombudsman, 
rapport 2006/390, p. 60. 



OPENBAAR BESTUUR MAART 2008 



15 



20626-3_OB 0308.indd B15 



19-02-2008 14:13:12 



zich de zaak aantrok en een haperende uitvoering 
van de vaststellingsovereenkomst signaleerde. 69 
Die poging strandde na acht maanden, omdat De- 
fensie niet op Spijkers' verzoek wilde erkennen dat 



Brenninkmeijer's initiatief was 
aanvechtbaar, ongeacht zijn oprechtheid 



[69] Brieven ombudsman 
Brenninkmeijer aan Spijkers 
en Kamp, 20 oktober 2005. 
[70] Brief Brenninkmeijer 
aan Jongerius, 27 februari 
2007. 

[71] Nationale ombudsman, 
rapport 2006/390, p. 3. 
[72] Brief Brenninkmeijer 
aan Jongerius, 27 februari 
2007. 

[73] Brief Koeleman aan 
Brenninkmeijer, 20 februari 
2006. Brief Koeleman aan 
Schets, 16 december 2006. 
Brief Koeleman aan Bren- 
ninkmeijer, 28 december 

2006 naar aanleiding van 
rapport 2006/390. 

[74] Brief Brenninkmeijer 
aan Koeleman, 9 februari 

2007 als reactie op brief 
Koeleman aan Brennink- 
meijer, 28 december 2006. 
[75] Nationale ombudsman, 
rapport 2006/390, p. 54. 
[76] Brief Koeleman aan 
ombudsman Brenninkmeijer, 
20 februari 2006. 

[77] Brieven 4 en 25 novem- 
ber 2005 aan Brennink- 
meijer. 

[78] Brief 25 oktober 2005 
(2005 09000 001). 
[79] Reactie Brenninkmeijer 
op kritiek Van Steenbergen, 
bijlage bij zijn brief, 31 sep- 
tember 2006 (20070944 
U). 

[80] In het eerdere rapport 
over de landmijnaffaire 
(1999/175) van Nationale 
ombudsman Oostingwerd 
Spijkers aangeduid als 'de 
bedrijfsmaatschappelijk wer- 
ker van Defensie'. 
[81] Art. 9:36 lid 1 AWB 
juncto art. 10 lid 2 sub g 
AWB. 



men bij de nakoming van de vaststellingsovereen- 
komst ernstig tekort schoot. 70 Brenninkmeijer 
startte een onderzoek en concludeerde dat Defen- 
sie de vaststellingsovereenkomst behoorlijk had 
uitgevoerd. 71 

Brenninkmeijer's initiatief was aanvechtbaar, 
ongeacht zijn oprechtheid. 72 Brenninkmeijer was 
collega van vice-president Vermeulen bij de Cen- 
trale Raad van Beroep toen de ontslagzaak tegen 
Spijkers diende. Daarom was Brenninkmeijer 
volgens de richtlijnen van de rechterlijke macht 
als bemiddelaar en onderzoeker niet onpartijdig, 
te meer gegeven het belang van de ontslagzaak in 
de affaire en de twijfel aan de onpartijdigheid 
van Vermeulen. 

Spijkers en zijn advocaat klaagden over een gebrek 
aan transparantie en aan hoor en wederhoor, 73 
doch volgens Brenninkmeijer paste dat in het 'de- 
juridiserende karakter van het bemiddelingspro- 
ces', daarom zette hij afspraken niet op papier. 74 
Transparantie en hoor en wederhoor zijn echter 
formele behoorlijkheidseisen volgens de Behoor- 
lijkheidswijzervan de ombudsman. Die eisen zijn 
bij dejuridisering van groot belang, omdat proce- 
durele waarborgen en controleerbaarheid (open- 
baarheid) ontbreken. Dit klemt in dit geval temeer, 
omdat de bemiddelaar een collega was van Ver- 
meulen bij de CRvB en dat feit, volgens de richtlijn 
onpartijdigheid van de rechterlijke macht, grond 
voor verschoning is. De positie van de ombudsman 
is in deze vergelijkbaar met die van een rechter. 
De conclusie dat de vaststellingsovereenkomst be- 
hoorlijk is uitgevoerd, is aanvechtbaar. Dat geldt 
bijvoorbeeld voor de conclusie dat de rectificatie 
inhoudelijk behoorlijk is verricht en dat met het 
legen van dossiers over Spijkers 'recht wordt ge- 
daan aan de bedoeling van de bepaling over de ad- 
ministratieve rectificatie'. 75 De ombudsman wist 
immers van Spijkers' problemen met zijn wacht- 
geld en pensioenrechten. 76 De advocaat van Spij- 
kers stuurde hem een niet-limitatieve opsomming 
van zaken die Defensie urgent moest oplossen 
(waaronder het wachtgeld en zijn pensioenrech- 



ten). Brenninkmeijer noemde deze ook tevoren als 
onderwerpen voor zijn onderzoek en hij heeft on- 
derzoek gedaan naar de wachtgeldkwestie. Spij- 
kers heeft sinds 1993 geen inkomen. Ook nadat 
het ontslag van Spijkers finaal werd, merkte De- 
fensie hem immers als arbeidsongeschikte aan. 
Spijkers weigerde echter te tekenen voor een uitke- 
ring wegens arbeidsongeschiktheid, omdat dit 
valsheid in geschrifte zou opleveren: hij was niet 
arbeidsongeschikt. Een voorlopige voorziening was 
dus urgent. Uit brieven van Spijkers en zijn advo- 
caat aan Brenninkmeijer blijkt dan ook dat herstel 
van de wachtgeldregeling één van Spijkers' priori- 
teiten was. 77 Brenninkmeijer stelde uitdrukkelijk 
dat betaling van het wachtgeld (met name van 
1 oktober 1996 tot juli 1998 en vanaf september 
1998) mede onderwerp van onderzoek was. Achter- 
afstelde hij dat, als Spijkers die kwesties belang- 
rijk had gevonden, een voorlopige voorziening mo- 
gelijk was geweest. 78 De ombudsman concludeerde 
echter met de staatssecretaris van Defensie dat 
Spijkers de problemen zelf had veroorzaakt, dat 
lijkt zacht gezegd een onhoudbaar standpunt. 

De Ombudsman toetste het gedrag van Defensie 
slechts aan de behoorlijkheidseisen van voortva- 
rendheid, actieve en adequate informatieverstrek- 
king, rechtszekerheid en rechtvaardigheid. 79 In 
zijn visie brengen deze eisen niet een toetsing aan 
grondrechten mee. De vraag is waarom Brennink- 
meijer beperkt toetste. De reden kon niet zijn dat 
het onderzoek slechts de uitvoering van de vast- 
stellingsovereenkomst betrof, want deze was de 
uitkomst van een lijdensweg van 23 jaar en moest 
in dat licht worden geïnterpreteerd. 

Het was bij uitstek de taak van de ombudsman het 
dubieuze optreden van gezagsdragers aan alle be- 
hoorlijkheidseisen te toetsen. Brenninkmeijer be- 
weerde dan ook dat hij wel aan alle behoorlijk- 
heidsnormen had getoetst, doch dat hij in zijn 
rapport slechts de meest toepasselijke criteria had 
gebruikt en niet meer dan één norm tegelijk had 
genoemd. De behoorlijkheidsgebreken in de zaak 
Spijkers zouden vooral in de informatievoorzie- 
ning hebben gezeten. De beginselen van gelijk- 
heid, rechtvaardigheid, rechtszekerheid en be- 
scherming van individuele rechten lijken echter 
ook gerede kandidaten voor 'toepasselijke criteria'. 
Het rapport van de ombudsman is niet geanonimi- 
seerd, waar het Spijkers betreft. 80 Dat is in strijd 
met de norm en met Spijkers' privacy. 81 De norm 
luidt: 'Het verstrekken van informatie [in verband 
met het rapport] blijft achterwege voor zover het 
belang daarvan niet opweegt tegen het voorkomen 



16 



OPENBAAR BESTUUR MAART 2008 



20626-3_OB 0308.indd B16 



19-02-2008 14:13:12 



van onevenredige benadeling van bij de aangele- 
genheid betrokken natuurlijke personen.' 
De Ombudsman concludeert ten gunste van Defen- 
sie dat de overeenkomst goed is uitgevoerd en 
spreekt van 'de voortgezette strijd van de heer Spij- 
kers' alsof hij een keuze heeft: zijn wachtgeld is 
sinds 1993 niet betaald, zijn pensioenrechten zijn 
niet geregeld, zijn dossiers bij UWV en ABP zijn 
verdwenen, zijn vertrouwensarts en advocaten zijn 
niet betaald en de Belastingdienst legt Spijkers een 
aanslag op, terwijl Defensie die belastingen inge- 
volge artikel 6 van de Vaststellingsovereenkomst 
zou betalen. De betaling hangt op een meningsver- 
schil tussen Defensie en Financiën over de vraag of 
de schadevergoeding voor Spijkers als inkomen 
moet worden beschouwd. Om die reden valt de 
Belastingdienst Spijkers lastig met vorderingen en 
Defensie doet blijkbaar niets. De Ombudsman liet 
na Spijkers ook al in verband met deze proble- 
men 82 te beschermen tegen gezagsdragers en de 
Staat die ruim twintig jaar zijn leven en de uitoefe- 
ning van zijn rechten onmogelijk maakten. 

Onrechtvaardig, slecht of kwaadaardig? 

We hebben het gedrag van gezagsdragers getoetst 
aan eisen van redelijkheid die voortvloeien uit vrij- 
willig aanvaarde functies. Daar voldeed het niet 
aan. De eisen zijn ondergeschikt aan die van recht- 
vaardigheid en de onvoorwaardelijke natuurlijke 
plichten die daaruit voortvloeien: positieve plich- 
ten om rechtvaardigheid te dienen en te bestendi- 
gen, een wederkerige plicht om hulp te bieden en 
respect te tonen en negatieve plichten om onschul- 
digen niet in hun persoon te schaden en ook overi- 
gens geen schade te berokkenen. Men mag geen 
onrecht begaan, ongeacht verplichtingen uit hoof- 
de van een functie. Gezagsdragers kunnen zich 
dus niet op politieke of ambtelijke verplichtingen 
beroepen ter rechtvaardiging van het onrecht dat 
zij jegens Spijkers begingen, laat staan van misdrij- 
ven die men misschien pleegde. 
Sommige gezagsdragers en politiek verantwoorde- 
lijken hebben hun natuurlijke plichten ten opzich- 
te van Spijkers op een reeks van manieren grof 
geschonden, onder wie ministers en staatssecreta- 
rissen van Defensie en Binnenlandse Zaken van 
1984 tot heden. Zij zijn immers mede verantwoor- 
delijk voor alle (ambts)misdrijven en de schendin- 
gen van behoorlijkheidscriteria door overheids- 
dienaren die hiervoor aan de orde waren. Dat 
geldt ook voor staatssecretaris Van Hoof, al past bij 
zijn optreden de kanttekening dat hij via de instel- 
ling van de commissie Rood, de inschakeling van 
KPMG en via zijn persoonlijke contact met Ovaa- 
Van den Broek en Spijkers serieuze pogingen heeft 



gedaan de zaak zo goed mogelijk uit de wereld te 
helpen. Het zou de moeite waard zijn het optreden 
van alle betrokken politici en detail aan alle be- 
hoorlijkheidsmaatstaven te toetsen: hun optreden 
moet precies zo worden gediskwalificeerd als dat 
van de gezagsdragers, zij hebben al dan niet in 
commissie eveneens vrijwel alle behoorlijkheids- 
maatstaven geschonden. 



Het was bij uitstek de taak van 

de ombudsman het dubieuze optreden 

van gezagsdragers aan alle 

behoorlijkheidseisen te toetsen 



Spijkers' gewetensvolle weigering strookt met de 
natuurlijke plicht tot rechtvaardigheid: gehoor- 
zaamheid zou onrecht zijn geweest en weigering 
was onvoorwaardelijke plicht en een kwestie van 
morele moed en waardigheid. 83 Gezagsdragers en 
politiek verantwoordelijken hadden als vertegen- 
woordigers van onze rechtsstaat hem om die reden 
moeten prijzen. Dat deden zij niet (uit eigen 
beweging 84 ). Van der Knaap erkende in zijn eerder- 
genoemde brief aan Spijkers ten lange leste 'in 
alle oprechtheid' dat ernstig onrecht tegen Spij- 
kers was begaan, maar het concept voor die brief 
kwam uit de koker van KPMG en de uitvoering 
van de Vaststellingsovereenkomst door Defensie 
is niet met die beweerde oprechtheid in overeen- 
stemming. 



Het zou de moeite waard zijn het optreden 

van alle betrokken politici en detail aan alle 

behoorlijkheidsmaatstaven te toetsen 



Daarom ontbreekt het de betrokken gezagsdragers 
aan morele moed en waardigheid. Gebrek aan mo- 
rele waardigheid kent gradaties: onrechtvaardig- 
heid, slechtheid, kwaadaardigheid. 85 'Onrechtvaar- 
dig' is het slechte doen met op zich legitieme 
doelen. 'Slecht' is arbitrair gebruik van macht of 
bevoegdheid. 'Kwaadaardig' is streven naar het 
slechte op zich of onverschilligheid over onrecht. 
De onthutsende conclusie is dat sommige hoofd- 
rolspelers namens de (rechts)staat niet eens 'on- 
rechtvaardig' waren, maar erger, omdat zij geen 
rechtmatige doelen nastreefden. Ze hebben rechts- 



[82] Brief 25 oktober 2005 
(2005 09000 001). 
[83] Over de rechtvaardiging 
van gewetensvolle weigering 
zie Rawls, p. 323-326. 
[84] Brief van Van der 
Knaap aan Spijkers d.d. 29 
november 2002. 
[85] J. Rawls, A Theory of 
Justice, 1999, p. 385. 



OPENBAAR BESTUUR MAART 2008 



17 



20626-3_OB 0308.indd B17 



19-02-2008 14:13:13 



statelijke middelen 23 jaar lang gebruikt om on- 
recht te begaan en zijn dus 'slecht' of zelfs 'kwaad- 
aardig' wegens de klaarblijkelijke onverschillig- 
heid over dat onrecht. 

Bedreiging rechtsstaat 

Ministers, staatssecretarissen en hun onderge- 
schikten hebben Spijkers het leven en de uitoefe- 
ning van zijn rechten gedurende 23 jaar onmoge- 
lijk gemaakt, omdat hij onrecht aan de kaak 
stelde. Zij waren geen hoeders van rechtvaardig- 
heid en van de rechtsstaat, integendeel, ze ge- 
bruikten de bevoegdheden die hen ten dienste 
stonden om de rechten van een burger met voeten 
te treden. 86 



De minister-president kan en mag zich niet 
als een innocent bystander opstellen 



[86] H.A. Couzy in interview 
met Th. Broer, Vrij Nederland 
2007 nummer 14. 
[87] Verzoek Deloitte 
namens Defensie aan 
bestuur Centrale Raad van 
Beroep om dossier Spijkers 
door drs. P Hofstra RO CIA, 
14 februari 2005, L.Hage 
RO kenmerk PH/ssa/05- 
071. 

[88] Brief minister-president 
mr.dr.J.P Balkenende, 6 april 
2005 aan vertrouwensarts 
van Spijkers, L.A. Beth. 
[89] G.E. van der Wulp, 
directeur-generaal Rijksvoor- 
lichtingsdienst, in brief 
namens minister-president, 
2 augustus 2007 
(3222574). 



Volgens generaal b.d. Couzy is deze gang van zaken 
bij Defensie min of meer normaal. Couzy: 'Bij de 
krijgsmacht heerst een cultuur van het zwijgen. 
Bij Defensie vindt men nog steeds dat er geen fou- 
ten kunnen worden gemaakt. Als je de vuile was 
buiten hangt, krijg je er onmiddellijk van langs. 
Zodra een militair meldt dat er iets is misgegaan, 
gaat zijn baas wild om zich heen slaan. Dat is be- 
paald geen aanmoediging voor openheid.' 
Om tot de conclusie te komen dat de rechten van 
Spijkers op vele manieren grof zijn geschonden, 
hoeft men slechts de relevante documenten te 
raadplegen en rechtsstatelijke eisen serieus te ne- 
men. 87 Hoewel, ook het raadplegen van documen- 
ten probeert de overheid in de persoon van Van 
der Knaap zoveel mogelijk te voorkomen door de 
archieven niet te schonen van misplaatste diskwa- 
lificaties over Spijkers (zoals de Vaststellingsover- 
eenkomst voorschrijft), maar de dossiers te legen 
en een poging te doen het archief over de zaak 
Spijkers bij de Centrale Raad van Beroep te verwij- 
deren. Het is niet duidelijk of dat is gelukt. Mocht 
dat het geval zijn, dan wordt Spijkers belemmerd 
in de uitoefening van zijn recht om herziening 
van de uitspraak van de Raad uit 1997 te vragen. 
Bovendien, ook de dossiers bij het UWV en het ABP 
zijn verdwenen met alle gevolgen van dien voor 
zijn inkomen (uitkering) en zijn pensioen. 
Onze minister-president antwoordde op Spijkers' 
verzoek om hulp met 'ik kan niets voor u doen', 
al begreep hij wel dat zijn antwoord voor Spijkers 
'niet geheel bevredigend' zou zijn. 88 



Naschrift 

'Er zijn toereikende procedures op grond van de 
bestaande regelgeving voor aangelegenheden als 
deze. De minister-president, minister van Algeme- 
ne Zaken, heeft daarbij geen bevoegdheden.' 
schreef G.E. van der Wulp namens de minister- 
president in een reactie op dit artikel. 89 Hij meen- 
de dat het citaat van de minister-president een al 
te prominente plaats in dit artikel kreeg, omdat de 
inhoud van het artikel op andere gezagsdragers is 
gericht. De zaak viel onder de verantwoordelijk- 
heid van het ministerie van Defensie. Bovendien 
onthoudt de minister-president zich steevast van 
een oordeel over zaken die aan het oordeel van de 
rechter onderworpen zijn (geweest) in verband met 
het belang dat hij aan de onafhankelijkheid van de 
rechterlijke macht hecht, zo besloot Van der Wulp. 
Daarover het volgende. De minister-president 
draagt toch zeker samen met de overige ministers 
en de staatssecretarissen de verantwoordelijkheid 
voor de rechtsstaat, voor de bescherming van bur- 
gers en voor het optreden van de staat ten opzichte 
van burgers, ook in het verleden. Daarmee heeft 
de prominente plaats van het citaat van doen, niet 
met een verzoek te treden in een rechterlijk oor- 
deel. De geschiedenis van Spijkers moest leiden tot 
coulance; de minister-president kan en mag zich 
niet als een innocent bystander opstellen, hij kan en 
mag zich niet achter andere gezagsdragers ver- 
schuilen. 

Op 18 september 2007 stelde Kamerlid Van Raak 
vragen aan de minister van Binnenlandse Zaken 
en Koninkrijksrelaties, onder meer of de minster 
bekend was dat klokkenluiders als gevolg van hun 
melding in financiële moeilijkheden kunnen ko- 
men. De minister antwoordde dat klokkenluiders 
die te goeder trouw een melding doen, geen 
rechtspositionele nadelen mogen ondervinden. 
De minister meent dat de rechtsbescherming van 
ambtenaren 'die op deze wijze actief invulling ge- 
ven aan het goed ambtenaarschap' is opgenomen 
in de Ambtenarenwet, de Militaire Ambtenaren- 
wet 1931 en de Politiewet 1993. Op 23 januari 2008 
kwam het bericht dat een ambtenaar van Justitie 
vijfjaar zonder functie zat, omdat hij in 2003 mis- 
standen bij het Schadefonds Geweldsmisdrijven 
aan het licht had gebracht. Het ministerie werkte 
hem regelrecht tegen bij sollicitaties, zodat hij 65 
keer werd afgewezen, hij kreeg bovendien een ver- 
bod van Justitie om bezwaar tegen de afwijzingen 
te maken. 



18 



OPENBAAR BESTUUR MAART 2008 



20626-3_OB 0308.indd B18 



19-02-2008 14:13:13